maart 14, 2022

(Tekst) Literaire wandeling

Schrijver Dirk van Weelden (Zeist, 1957) maar opgegroeid in Alkmaar, noemde Alkmaar in literair opzicht ‘de fietsenstalling van Amsterdam’. Hij vond dat er op literair vlak weinig gebeurde in de Noord-Hollandse kaasstad. Hij was niet de enige die er zo over dacht. Alkmaar had geen universiteit en niet echt een cultureel leven. Dichters, schrijvers en schilders trokken naar Bergen, zeven kilometer verderop, of naar Amsterdam en stalden hun fiets in Alkmaar. *1

Voormalig stadsdichter Joost Zwagerman (Alkmaar, 1963-Haarlem, 2015) gaf zijn geboortestad kritiek in zijn Van Foreest Publiekslezing in 2004, getiteld Tussen droom en daad in Dubbelstad. (Voor citaten, zie het eind van deze verhandeling.) Toch komen we hem een aantal keren tegen op deze wandeling. Hier vond hij de duisternis (de verstikkende burgerlijkheid) én het licht (de open wolkenluchten boven zee). Zo noemt althans Maria Vlaar het in haar voorwoord bij de bundel Grote Groet uit Zwagerland.

Joost Zwagerman was schrijver, dichter en essayist. Als dertienjarige was hij al met teksten bezig. Uit de VARA-gids haalde hij foto’s en teksten, bewerkte die en stelde daarmee een handgeschreven, geïllustreerd tijdschriftje samen: de Zwagergids.
Na de Pedagogische Academie studeerde hij Nederlandse taal- en letterkunde, brak deze studie af en deed een cursus creatief schrijven bij Oek de Jong. Hij debuteerde in 1986 met de roman De houdgreep, die door Carel Peeters in Vrij Nederland werd bestempeld als ‘het meestbelovende debuut sinds jaren’.
Eind jaren negentig ontwikkelde hij zich steeds meer tot politiek geëngageerd columnist in enkele landelijke dagbladen. Tweemaal was hij presentator van VPRO’s Zomergasten, en in De Wereld draait door was hij een enthousiasmerend tafelheer en kunstbeschouwer.
In 2002 werd hij Alkmaars eerste stadsdichter. Zijn heftige kritiek rond Yxie (een Alkmaars plan voor een combinatie van een nieuw cultuurpodium en een Lucebert-museum) viel landelijk op.
Zijn laatste boek, een essaybundel met de titel De stilte van het licht, kwam uit op 8 september 2015, de dag waarop hij zelfmoord pleegde. De bundel gaat over de stilte in de kunst, die volgens de auteur kan staan voor een verlangen ‘om er niet te zijn’.

De Van Foreestlezing had betrekking op Pieter van Foreest (1521-1597) die overigens wel zijn stad prijst. Van Stadsgeneesheer, eerst in Alkmaar, later in Delft, werd hij lijfarts van Willem van Oranje, maar keerde na diens moord in 1584 weer terug naar Alkmaar. Daar schreef hij zijn 1350 Observationes (waarnemingen) met bijbehorende Scholia (verklaringen) in 32 delen, in het voorwoord prijst hij Alkmaar aan alsof het om een toeristische folder gaat. “Er heerst hier door de blootstelling aan de gematigde stralen van de zon een klimaat dat zo mild is wat betreft de lucht en het weer en zo gezond, dat besmettelijke ziekten van het lichaam maar heel zelden voorkomen.”

We verlaten de De Sociëteit en kijken naar links, aan het eind van deze gracht, tegen de Accijnstoren aan, woonde de uit Bergen afkomstige Neeltje Maria Min (1944) die nog steeds worstelt met haar roem en imago uit de jaren ’60. Zij weigerde op te treden in de plaats waar ze woonde maar ik mocht wel een keer op de koffie komen. Ze vertelde toen een geweldig verhaal: hoe ze door de redactie van Matthijs van Nieuwkerk gevraagd werd naar de studio te komen maar weigerde. Maar het is Matthijs van Nieuwkerk, werd gezegd. Ze zei niets. Maar we sturen een taxi. Nee, zei ze. Ze was aan het breien voor haar kleindochter, vertelde ze me, en had helemaal geen interesse in die Van Nieuwkerk.
Gedichten van haar werden ook op muziek gezet en door anderen vertolkt. Met enige regelmaat dicht ze nog maar ze is selectief in haar optreden. Haar bundel Voor wie ik liefheb wil ik heten is toe aan de 23e druk. Overigens was dit de eerste gedichtenbundel die ik kreeg (van Sinterklaas, 1972).
Min was jarenlang lid van het KunstenaarsCentrumBergen dat een beetje weggestopt zit in het museum Kranenburgh, Bergen en woont nu in Amsterdam.

Rechts van ons passeren we de Kooltuin waar ik boven de kroeg woonde naast dichter/ kunstenaar P.C. Koning (1946), die al jarenlang zijn werk verspreidt op ansichtkaarten die hij op willekeurige plekken in de brievenbus duwt. Hij bracht enkele bundels uit, opende eenmaal de Kunst tot de Nacht manifestatie en was moeizaam over te halen tot het Reuringplatform. Hij kreeg eigenlijk nooit de erkenning die hij verdiende, het lot van velen. Koning woont nu aan het Verdronkenoord.

De volgende straat rechts is de Achterdam.
Simon Prins, hoofdpersoon uit de roman Vals licht van Joost Zwagerman, raakt verliefd op een prostituee uit de hoofdstad maar voordat die twee elkaar ontmoeten, beleeft Simon een en ander op de Achterdam. Dit straatje is meer dan een decor; de locatie legt de kiem voor een klein maar ingrijpend drama, dat van invloed zal zijn op het verdere verhaalverloop in Vals licht. ‘Lang verkeerde Simon in de veronderstelling dat alleen mannen zo oud als zijn vader de Achterdam bezochten.’ Albeda nam hem mee, vijftien jaar, Simon was dertien. Ze haastten zich door het straatje en Simon keek meer naar de mannen op straat dan naar de vrouwen achter de vaak spiegelende ramen. Op een dag ziet hij de broer van Johnnie naar binnen gaan, daar veranderen de anonieme wandelingen van Simon door. ‘Het had iets regelrecht ontwrichtends om zomaar iemand uit de buurt waar hij woonde tegen te komen in dit straatje waar Simon anoniem en inwisselbaar had moeten zijn, spiedend naar volwassenen op hun volwassenst.’
Zwagerman tekent aan dat hij vanuit zijn verbeelding had gewerkt en niet vanuit zijn ervaring. Maar, zegt hij, er is een maar. Mijn reservoir aan ervaringen in en herinneren aan de stad is groot, heel groot. Aan dat reservoir kan ik inmiddels een tweede hoeveelheid toevoegen, die van de fictionele voorvallen die ik heb beschreven. “Het is bijna alsof ik daardoor niet alleen heb verzonnen maar ook heb doorleefd wat ik hem laat meemaken.”

We gaan naar de brug aan onze linkerhand, bij het Huis met de Kogel hebben we een prachtig uitzicht op het Waaggebouw. Over de brug rechts lopen we het Fnidsen in en de oude stad uit.

© Alja Spaan, Fnidsen, 1979, Zwagerman als Dr.Kots

Het is maar een paar meter lopen naar de Mient, waar Simone van der Vlugt (1966, geboren in Hoorn maar woonachtig in Alkmaar) haar jeugdboek Schijndood (2002) laat spelen. Economiestudent Kris Blanken wordt daarin door een reïncarnatietherapeut teruggebracht naar het Alkmaar van 1655. De apothekerswoning De Witte Roos, waarin de jonge schilder in het boek opgroeide, ligt naast restaurant De Fransman.
Ook haar jeugdboek Victorie (2004) speelt in Alkmaar. Ze schreef het in opdracht van de gemeente Alkmaar bij het 750-jarig bestaan van de stad in 2004, samen met Theo Hoogstraaten. In Het laatste offer, 2007, een roman voor volwassenen, zit een beetje Alkmaar: de uitgaansgelegenheid Atlantis, de keuze van het Waaggebouw als ‘doolhof’, een Alkmaarse vriendin.
Simone van der Vlugt stuurde haar eerste manuscripten voor historische verhalen op haar dertiende al naar een uitgever. Haar debuut was het jeugdboek De amulet dat de heksenvervolging als onderwerp had. Het verscheen in 1995.
In 2004 debuteerde ze met de thriller De reünie als schrijfster van volwassenenliteratuur. Ze wordt in vele landen vertaald en won diverse prijzen.

Boven restaurant De Fransman (no 8) werd Truitje Toussaint geboren. Het is bekend dat ze eerst helemaal niet zo blij was met dit kleinburgerlijke stadje. Bij de schrijver Johannes Potgieter beklaagde ze zich erover dat ze in Alkmaar leefde ‘als op Groenland’.
Na haar huwelijk vertrok ze naar Den Haag. Daar zei ze ‘Ik ben toch eigenlijk geboren om [in] een klein stadje te leven. Alkmaar is [in] mijne proportie of ik in de hare.’

Anna Louisa Geertruida Bosboom Toussaint (1812-1886), Alkmaars grote literaire ster, wordt door intimi liefkozend Truitje genoemd. Ze was de eerste historische romanschrijver van Nederland.
Ze probeerde haar eigen brood te verdienen door boeken te vertalen en kreeg al snel het advies zelf te gaan schrijven. Ze trad toe tot de Heilooër Kring en de groep rond het literair tijdschrift De Gids.
In 1837 verscheen haar eerste, De graaf van Devonshire. Ze schreef in een enorm tempo, elk jaar kwam wel een boek van haar uit. Ze werd geroemd om haar psychologisch inzicht, religieuze inleving en het historisch onderzoek.
Toen ze in 1851 trouwde met de schilder Johannes Bosboom, ze was 39, en jarenlang verloofd geweest met Reinier Bakhuizen van den Brink, de leidende figuur van De Gids maar een vreselijke losbol, werd haar door de stad een enorm feest met vuurwerk aangeboden, zo beroemd was ze toen al. Ondanks de negentiende-eeuwse vooroordelen over schrijfsters bevocht ze zich een hoge positie in de literaire wereld.
In 1874 publiceerde ze Majoor Frans, waarin de hoofdpersoon zich allesbehalve vrouwelijk gedraagt, gewaagd voor die tijd. Als ereburgeres van Alkmaar werd ze als eerste vrouw in 1870 erelid van de Maatschappij der Nederlandse letterkunde.

We lopen de Mient af, steeds rechtdoor (de belangrijkste winkelstraten zijn op zaterdagen niet ècht leuk) en komen dan door de Hofstraat en Baangracht, nemen het trappetje langs het water en komen in het Kennemerpark. We gaan rechtsaf, lopen het park uit,  steken de straat over en laten de Emmabrug links liggen. Zouden we die brug overgaan en linksaf slaan, dan komen we uiteindelijk in de wijk Overdie waar Zwagerman geboren werd maar ook dichter Joris Miedema. Laatstgenoemde is weer terug in Alkmaar en woont in de Bergermeer waar Zwagerman ook terecht kwam. Die wijk komt straks aan de orde.

Nu lopen we door en zien aan de overkant van het water de Nieuwlandersingel liggen. Tegenover een brievenbus zat het voormalige Atelier9en40 (bij het lopen van deze route was de brievenbus verdwenen maar het is het 2e huis vanaf de zijstraat links en het 4e vanaf rechts), waar poëzie-evenementen als Alkmaar Anders plaatsvonden – en waar boven in het kleinste kamertje naast de trap, ooit geschikt voor dienstboden, de schrijver A. zich verstopte. Een briefje met punaise op de deur met “stttt, mamma schrijft”.
(Overigens is het jammer dat we deze wandeling niet uitbreiden naar haar geboortedorp Sint Pancras – schuin tegenover haar ouderlijke woning werd Bernlef geboren in 1937. Het Bernlefpad in Sint Pancras verwijst naar hem.)

De zijstraat rechts is de Hofdijkstraat en verwijst naar de schilder Willem Hofdijk (1816-1888) die bij gebrek aan groot talent de droom een groot schilder te worden naast zich neerlegde en ging schrijven en dichten.
Hij werd leraar in de Nederlandse taal aan het Amsterdams gymnasium en vergaarde landelijke roem met zijn poëzie. Hij werd “een van de voornaamsten in de Nederlandse Romantiek” genoemd. In de Kennemer Balladen liet hij de geschiedenis van onze streek herbeleven. Andere titels van deze minstreel van Kennemerland Rosamunde, Bruidsdans, Wee over de aard! Tonen des tijds.
Hij wordt beschouwd als een zeer belangrijk Alkmaars letterkundige met 114 titels op zijn naam. Hij woonde op no 15 aan de Koningsweg (in het centrum van de stad).

 

Vanuit het park gaan we heel even naar rechts naar het borstbeeld van Maria Tesselschade Roemers Visscher, dat voor de ingang van de parkeergarage staat. We komen zo op haar terug.
In de garage gedichten van het Dichtersgilde, de groep die oud-stadsdichter Margreet Schouwenaar oprichtte en die zelfstandig verder ging na haar stadsdichterschap.
Op verschillende plekken in Alkmaar zijn de woorden van Margreet Schouwenaar te vinden, bijvoorbeeld in het straatje naast de Jumbo bij de Grote Kerk. Bij de opening van de hernieuwde Friesche Brug werd een gedicht van haar hand in graniet aan beide zijden van de brug gelegd.
Margreet Schouwenaar (Schagen, 1955) volgde in 2009 Joost Zwagerman op als stadsdichter en initieerde, in navolging van F. Starik (die het idee kreeg van Bart F.M. Droog), de eenzame uitvaart in Alkmaar.
Het meest recent is haar gedichtenbundel Tot overmaat van ontbreken, IndeKnipscheer, 2020. Het jaar daarvoor gaf uitgeverij P uit Leuven een overzichtsbundel uit, getiteld Zwijgen tot het schraapt.
Naast poëzie geeft Schouwenaar ook kinderboeken uit. Ze woont in Heiloo en werkt als docent aan de Hogeschool InHolland in Alkmaar.
De stadsdichter na haar, Joris Brussel (1987), kwam in 2018 en uit IJmuiden. Januari 2022 werd tot nieuwe stadsdichter gekozen Maria Barnas (Hoorn, 1973).

Zouden we teruglopen naar het centrum, dan komen we achter de Grote Kerk langs bij de hoofdvestiging van Bibliotheek Kennemerwaard waar een paar jaar geleden aan de muur een plaquette (gemaakt door Pieter Bijwaard) werd onthuld ter nagedachtenis aan Joost Zwagerman. De tekst luidt “Kunst verspreidt de wonderlijke suggestie dat ze door jou bezield kan raken”.

Maar we lopen we terug de Heilooërbrug over, steken de Nieuwlandersingel over en komen op de Kennemerstraatweg bij het huis Tesselschade.
Er waren namelijk ook schrijvers en dichters die juist naar Alkmaar toe kwamen. Maria Tesselschade Roemers Visscher (1594-1649), de dochter van de graanhandelaar en dichter Roemer Visscher, groeide op in Amsterdam en maakte daar kennis met schrijvers als Hooft, Huygens en Barlaeus, maar vertrok na haar huwelijk naar Alkmaar. Ze bleef er wonen, eerst in de Koorstraat, daarna in de Magdalenenstraat, later in de Langestraat en misschien in huize Tesselschade. Het bordje bij de voordeur vermeldt mogelijke bewoning door haar zuster.
Ze bleef er schrijven, ook na de dood van haar echtgenoot. Aan Hooft schreef ze dat ze met zijn steun weerstand zou kunnen bieden aan de huwelijksaanzoeken van Huygens en Barlaeus: ‘al konden zij nog zo pluimstrijken, ik zal ze wel van mijn bed houden.’ Maar ze moest ook weerstand bieden aan P.C. Hooft himself die haar met hartstochtelijke brieven naar Muiden probeerde te lokken.
Ze was zo’n toonbeeld van vrouwelijke creativiteit dat in 1872 de vrouwenvereniging ter bevordering van de vrouwelijke handwerken Tesselschade werd genoemd.

Aan de overkant wenkt Truitje Toussaint ons, een borstbeeld uit 1912, honderd jaar na haar geboorte gemaakt en in een beduidend groter formaat dan dat van Maria Tesselschade. We steken over.

 

We vervolgen de bocht van de Kennemersingel en staan op de hoek van de Nassaulaan stil. Hier woonde de schrijver Dirk van Weelden die we in het begin al noemden.
Van Weelden kreeg in 1992 de Multatuliprijs voor Mobilhome. Met Martin Bril schreef hij Arbeidsvitaminen. Het ABC van Bril & Van Weelden.
Alleen in zijn boek Looptijd heeft hij het over Alkmaar, hoewel niet bij naam. Zijn hardlooptochten door de weilanden en langs de wegen rond Alkmaar, Bergen, Schoorl, Egmond komen binnen op of vertrekken van een stadssingel ‘langs de oude stadswal’. Zijn ouders liggen, kort na elkaar overleden, in de huiskamer van een huis aldaar. Van Weelden is bezig een boek samen te stellen aan de hand van nagelaten brieven tussen zijn ouders.
Hoewel er in de literatuur discussie bestond over de juiste plek van dit huis, werd ons tijdens de wandeling duidelijk dat het hier is.

Aan het eind van de Nassaulaan, rechts, woonde schrijver, taalkundige Wil Bijlsma (Oosthuizen, 1943-2016). Hij trad veelvuldig op met eigen en andermans teksten en staat bekend om zijn zeer korte verhalen en fonetische spelling. De verzamelbundels werden door hemzelf vervaardigd tot en met het leeslint toe. Zelf vond hij zich de uitvinder van de zkv’s (en niet A.L. Snijders). De ouderen uit mijn voorleesgroep zijn gek op hem.
Wil Bijlsma gaf les aan de Pedagogische Akademie op het Nassauplein. Daar zat ooit dichter H.C. ten Berge. De schooldirectie dreigde hem vlak voor de eindexamens van school te verwijderen, omdat hij weigerde zijn haar te laten knippen. Een docent die het talent van de jongen zag, liet daarop een werkstuk van diens hand slingeren op het bureau van de directeur. Ten Berge mocht blijven. *2

Ten Berge werd in Alkmaar geboren (1938) op het adres Rippingstraat 46. Hij is dichter, prozaschrijver, essayist en vertaler. In 1964 debuteerde hij met de bundel Poolsneeuw. In 1967 richtte hij het tijdschrift Raster op waarvan hij lang de enige redacteur was. In 2006 ontving hij de P.C. Hooftprijs en in 1996 ontving hij de Constantijn Huygens-prijs voor zijn gehele oeuvre (zoals Tentije die in 2017 ontving).
Zijn oudere broer Henk is journalist, schrijver. Zijn roman Vaders van tien speelt tijdens hun schooljaren in de buurt rond de Rippingstraat. De Rippingstraat ligt evenwijdig aan de Kennemerstraatweg die we zojuist gehad hebben en begint als zijstraat van de Heilooërdijk. Om deze straat te bezoeken zouden we richting Heiloo gelopen moeten hebben.

Zwagerman riep in de Van Foreestlezing “ik heb nog nooit iemand naar het H.C. ten Bergeplein horen vragen en ik ken evenmin iemand die in de Arie van den Bergstraat woont!”

We gaan de straat niet in maar lopen door en komen langs theekoepel ’t Arendshof waar dichter Nicolaas Beets (Haarlem, 1814-1903) geregeld kwam om zijn verzen voor te lezen aan de Heilooër literaire kring. Met Beets was Truitje Toussaint goed bevriend, hoewel hij van mening was, ‘dat een vrouw niet schrijven moest’.
De theekoepel is bekender onder de naam Cantina Architectura omdat het de woning was van de Alkmaarse architect Van Latum. In deze ruimte kwam de Alkmaarse Dichterskring maandelijks samen. Deze vereniging werd opgericht in 1984 en werd 32 jaar lang geleid door Agatha Bekker (Alkmaar, 1942), dichter en kunstenaar.
Onder andere de dichters Paul Roelofsen, Elbert Gonggrijp en Nina Barhorst zijn lid van deze kring.

Via deze singel (die ‘achter de stadswal, die we bij Van Weelden tegenkomen in zijn boek Looptijd), de Kennemersingel, wandelen we naar het station. We komen langs de rotonde, steken over naar de Geesterweg en blikken terug de stad in.

Aan onze linkerhand is iets verderop de winkel te zien van de vader van dichter Elbert Gonggrijp die zijn zoon naar optredens placht te begeleiden alvorens er sprake was van een vrouw. Beiden zaten een uur van te voren nerveus op de afgesproken plek. Zijn vader bleef niet luisteren naar zijn optreden.
Elbert Gonggrijp (Heerhugowaard, 1965) wordt een natuurdichter genoemd. Hij schrijft dagelijks – pure noodzaak, zegt hij, als ademen. Op 16-jarige leeftijd kwam hij voor het eerst in aanraking met de gedichten van Kopland. Hierin herkende hij zijn eigen toon, terwijl hij zelf nog nooit een gedicht had geschreven. Vanaf toen ging hij schrijven. Zijn stijl is nu meer op de waarneming gericht en minder op de innerlijke beleving.
Sinds zijn relatie met kunstenaar, dichter (en huidige voorzitter van de Dichterskring Alkmaar) Conny Lahnstein, heeft zijn werk zich nog meer verdiept.

We lopen rechtdoor en zien de Bergertunnel voor ons liggen. Als we daaronder door zouden lopen en na enige tijd rechtsaf zouden slaan, dan komen we in de Bergermeer waar dichter Hans Tentije woont.
Tentije (1944) werd geboren in Beverwijk en woonde lange tijd in Bergen. Tentije won meerdere prijzen voor zijn werk (we noemden al de Constantijn Huygens-prijs voor zijn gehele oeuvre). De stad Alkmaar heeft hem nu als belangrijkste dichter aangemerkt en probeert hem te betrekken bij Dichtstad, een project van de Bibliotheek Alkmaar in samenwerking met de gemeente. Zijn werk zou dienen als uitgangspunt voor Dichtstad. Zijn meest recente bundel is die uit 2020 met titel Nergens anders.

Zwagerman woonde vanaf zijn tiende jaar in deze wijk, op de Jan van Eyckstraat no 46. Hier speelt zijn suburbiaroman De buitenvrouw.
Het overspel met haar biedt Theo, de hoofdpersoon, een way-out die in Zwagermans universum essentieel is om het burgerlijke leven in de provincie volop te omarmen; een paradox die steeds in zijn boeken terugkomt.
(Voor die roman doet Zwagerman onderzoek naar West-Fries idioom. Hij noteert in een rood schriftje Zegswijzen uit het Alkmaarse, bijvoorbeeld: een ‘borst’ is een goeie jongen; ergens ‘groos’ op zijn is trots zijn, ‘blauwen’ is uit je nek kletsen.)

Joris Miedema (1978) debuteerde in 2011 met de bundel Oogtheater bij uitgeverij De Contrabas. Bij uitgeverij Stanza verscheen in 2017 De dood en drie andere gedichten. In januari 2022 verscheen bij Opwenteling De oneindige oester.
Joris Miedema was een van de deelnemende dichters aan het project Dichtdruk, een samenwerkingsverband tussen het Grafisch Atelier Alkmaar, Bibliotheek Kennemerwaard en Reuring.

Aan de overkant van deze wijk ligt het Hoefplan. Daar ligt tussen de Vrijheidskerk en het Christelijke Lyceum de Van de Veldelaan, waar op no 61 Van Weelden woonde.

Maar we staan nog op dezelfde plek en slaan op de hoek rechtsaf de Stationsweg in.  Pakken we niet de trein maar gaan we de derde straat rechts, dan komen we in de Spoorstraat langs het woonhuis (no 15) van dichter, schrijver René Huigen. In dezelfde straat werd Rudi Carrell geboren (no 35) hoewel die niet in deze wandeling thuishoort en even verderop woonde (no 42) Kees de Bakker van uitgeverij Conserve.
De Bakker vatte tijdens zijn studie Nederlands een blijvende liefde voor boeken op. Aanvankelijk wilde hij zelf schrijver worden, tot hem in 1983 gevraagd werd de dichtbundel te bezorgen van de overleden dichteres Eline van Haaren. De uitgeverij reikt sinds 1988 de vijfjaarlijkse Eline van Haarenprijs uit. De laatste winnares was Mieke van Zonneveld in 2018.
Over de geschiedenis van de uitgeverij is bij het 25-jarig bestaan in 2008 het boek Onbeperkt Houdbaar van Jacqueline Zirkzee verschenen. Ook werd toen uitgegeven Hier begint de victorie, schrijvers over Alkmaar.*3 en *4
Per 1 januari 2019 is uitgeverij Conserve deels opgegaan in het concern van Singel Uitgeverijen.
Conserve geeft onder andere journalist, schrijver Margriet Brandsma (Sint Pancras, 1957) uit. Zij en Kees de Bakker waren ooit collega’s bij het Noordhollandsdagblad. Margriet werd bekend als Duitslandexpert bij het NOS-journaal; haar boeken gaan voornamelijk over leven, cultuur en politiek in Duitsland. Een van de titels Het mirakel Merkel, hoe het meisje van Kohl de machtigste vrouw ter wereld werd (2012).
(En Margriet Brandsma zat net als Dirk van Weelden, Rob Scholte en Alja Spaan op het Christelijk Lyceum in Alkmaar.)
De naam Conserve verwijst overigens naar zowel de gelijknamige debuutroman van W.F. Hermans als de groenten-, fruit- en conservenwinkel van de ouders De Bakker.

René Huigen (1962) maakte oorspronkelijk deel uit van de Maximalen (een dichterscollectief met o.a. Pieter Boskma, K. Michel, Zwagerman en René Stoute). Eind 1999 doceerde hij poëzie aan de Universiteit van Michigan.
In 2004 werd hij genomineerd voor de VSB Poëzieprijs met de bundel Geen muziek & geen mysterie. In 2007 verscheen Fysica voor dichters, een definitieve keuze uit de gedichten 1989-2003 (De Bezige Bij).
In een interview in Trouw (2011) zegt hij een grote overeenkomst te zien tussen religie en moderne poëzie. “Waar het weten ophoudt, begint het geloof en andersom – het zijn complementaire vormen.”

 

Terug naar de Stationsweg ligt op no 92 was het woonhuis van dichter, essayist Arie van den Berg (1948).
Voor zijn dichtbundel Mijn broertje kende nog geen kroos ontving hij in 1970 de Reina Prinsen Geerligsprijs. Het gedicht IJsvogel raakte bekend onder een breed publiek omdat het verscheen op ons laatste bankbiljet van tien gulden.
Van den Berg is net als Huigen als docent verbonden aan de Schrijversvakschool in Amsterdam maar werkte ook als poëziecriticus voor NRC.

In Noord-Holland in Proza, Poëzie en Prenten een uitgave van de Culturele Raad Noord-Holland in 1994, staat het volgend gedicht van hem bij een afbeelding van kunstenaar Jos van Amsterdam met de titel groeten uit de omval.

Meer, maar allang geen water; bij de waag
golven nu traag kasseien in het hortend
ritme van het carillon

tijd in syncopen uitgeteld –  wat blijft
is de ontgoocheling, dat hier het nest,
het ei, de scherven

niets afgemaakt, het nest geen haven
–           een steen op het water, de vlerken te
licht voor een tocht om de zuid

een richel op een klip is wat een alk
verwachten mag en wacht, als hij verbaasd
de ogen opent en verdwaasd straks sluit

 

Hebben we nog steeds geen zin in de thuisreis, dan kunnen we rechts aanhouden, oversteken naar de spoorbrug en de wijk Huiswaard (1 tot en met 5) inlopen. We komen dan uit bij dichter, beeldend kunstenaar Elly Stolwijk (1957). Elly behoorde in de jaren tachtig tot De Nieuwe Wilden, een groep vrouwelijke dichters rond Elly de Waard.
Elly Stolwijk bracht in 2021 haar tweede poëziebundel, de laatste framboos, uit bij IndeKnipscheer. Haar combinatie van woorden met beelden wordt vaak nog treffender gebracht door begeleidende muziek van haar broer Frank Stolwijk (saxofonist en zang).

Ook vinden we Jan Loogman in deze buurten. In de serie Verse voeten, De Witte Uitgeverij, verscheen zijn bundel Een woord valt uit het nest, 2010.
Zijn we nog niet moe, dan verlaten we de Huiswaarden, nemen het pad langs het Noordhollandsch kanaal en lopen naar Koedijk.
We zoeken het houten kerkje, rechts, en vinden daarachter Paul Roelofsen. Zijn meest recente bundel is Een bloembed, een bloedbad (uit de reeks Open, uitgeverij U2pi, 2019).

Aan het station zelf is weinig poëtisch te vinden. Hier eindigt deze wandeling.

 

*1. Deze opmerking staat in een oude literaire route van Berthe Stevenhaagen, zie Trouw, 25 november 2012. In Hier begint de victorie, Conserve, 2008, haalt René Huigen deze opmerking aan.
*2. Deze anekdote staat in een oude literaire route van Berthe Stevenhaagen, zie Trouw, 25 november 2012; het hele verhaal staat in Hier begint de victorie, Conserve 2008.
*3. Achterin Hier begint de victorie werd een literaire route opgenomen met als basis 14 Alkmaarse schrijvers of dichters. We hebben fragmenten van deze route gebruikt.
*4. Voor de liefhebbers van Van Weelden, Ten Berge en René Huigen is de bundel Hier begint de victorie een aanrader.

 

 

Citaten uit Tussen droom en daad in Dubbelstad, Conserve, 2004

Alkmaar heeft in de loop van de eeuwen niet bijster veel schrijvers en dichters voortgebracht. Iets meer dan een handvol types dat later ‘iets literairs’ is gaan doen, is hier geboren. En naar namen van mensen uit de literatuur die er dan misschien niet zijn geboren maar later zijn komen wonen, is het al helemaal lang zoeken.

In Querido’s letterkundige reisgids van Nederland heeft Alkmaar tweeënhalve bladzijde toebedeeld gekregen. Dat is minder dan – en ik doe een willekeurige greep – Arnhem, Deventer, Maastricht, Hilversum, Bussum, Groningen en Leiden. Het is weer ietsje meer dan Hoorn en Den Helder. Maar daar is ook alles mee gezegd.
Overigens noemt die reisgids wel enkele wapenfeiten, zo wijdde Hildebrand in zijn Camera Obscura (geschreven in de jaren 1839-1851) een korte passage aan Alkmaar en de kaasmarkt, “Dat Alkmaar, al de overige dagen van de week zo stil en levenloos, dat het een stedeke schijnt opzettelijk vervaardigd voor begrafenissen, (….) is nu aan een van gewemel en gegons vervulde bijenkorf gelijk.’

Hoe zou het komen dat Alkmaar zo schraal is vertegenwoordigd, niet alleen als geboorteplaats van Nederlandse schrijvers maar ook als plek waar schrijvers en dichters elkaar ontmoeten, als een bescheiden literair brandpunt? Waarom kent Alkmaar geen literaire fine fleur, geen kleine kring van schrijvers die weten: laat de rest maar in de Amsterdamse grachtengordel over elkaar roddelen, wij hebben een mooi alternatief – waarom bestaat er niet zo’n kring? Is het alleen maar toeval en willekeur, het gevolg van de stand der sterren waardoor niet in Alkmaar maar in, zeg, Winterswijk een jongen of meisje wordt geboren die anderhalve eeuw later voortleeft als een literair genie?

Ik kan me niet voorstellen ooit iemand te ontmoeten die van zichzelf zegt: ‘Ik ben een typisch Alkmaarse schrijver.’

Een belangrijk nadeel voor Alkmaar is natuurlijk dat de stad twee hoogliteraire buren heeft waar veel schrijvers zich door voelen aangetrokken. Haarlem heeft in Querido’s reisgids 12 pagina’s. De andere buur is vanzelfsprekend het nationale kunstenaarsdorp bij uitstek, Bergen.

Zou er ooit zo lyrisch kunnen worden geschreven over bereikbaar geluk op, zeg, de Platte Steenen Brug, aan het Verdronkenoord of de Oude Gracht, over de hertenkamp in de Hout, over de Waag, de Mient, over de Watertoren desnoods, of zelfs over alle nieuwbouw, zou het kunnen?
Wat kan Alkmaar tegenover de concurrentie stellen? Provadja? (inmiddels gesloten), het Stedelijke Museum? De punkbandjes in Parkhof? (inmiddels een luxe en drukbezocht restaurant, het IJKgebouw).

Als Van Dis (Bergen aan Zee, 1946) zijn geboortedorp een fictieve vuurtoren geeft, in Indische Duinen, dan is het geoorloofd om aan Alkmaar ook allerlei fictieve elementen toe te voegen. Vorm de stad om tot een puur fictief en hoogliterair domein, dat de Noord-Hollandse werkelijkheid overstijgt.
Zo’n fictionalisering van Alkmaar bestaat en is te vinden in de roman Dubbelster, 1993, van Gerrit Komrij. In dit dubbelgangersverhaal speelt Alkmaar een tamelijk cruciale rol.
Wie bekend is met Alkmaar, zal Alkmaar er niet perse in herkennen, Komrij heeft geen research gedaan en is nooit in Alkmaar geweest.

Mijn herinneringen zijn vervloeid geraakt met verzonnen incidenten, mijn fictie is sluipenderwijs de feitelijke stad binnengesijpeld, en de feiten van mijn Alkmaarse jaren zijn aangelengd met indrukken die ik aan mijn werktafel heb verzonnen maar die me in de loop der jaren soms verbazingwekkend reëel toeschijnen.
Het is een vorm van dubbelzien waar ik nog lang over hoop te beschikken. Dit opgedeelde en uitgesplitste Alkmaar is op een prettige manier exclusief; in mijn verbeelding is Alkmaar voorgoed getransformeerd tot Dubbelstad.

NB

In Haarlem wordt de zogeheten Muggenreeks uitgegeven, een reeks novellen waar de stad een rol in speelt. Waarom is er nou in Alkmaar niemand die de tegenwoordigheid van geest bezit om ook zo’n reeks in déze stad uit te geven?
Alkmaar moet zijn eerste literaire avond met de schrijvers Van Weelden, Huigen en IJlander nog organiseren. Wie zo laks is, kan ook van die schrijvers geen warme gevoelens en engagement met de stad terugverwachten. Een stad kan een schrijver die zich over die stad uitlaat niet dankbaar genoeg zijn.

Tussen Droom en daad werd later opgenomen in Hier begint de victorie.

 

 

 

Niet opgenomen in de wandeling:

Aan de Bierkade staat het geboortehuis van Abraham Nauta (1820, overlijdensdatum onbekend) schoolhoofd, verhalen- en romanschrijver.

Uitgeverij Kluitman (Verdronkenoord) is een echte Alkmaarse uitgeverij. Pieter Kluitman (1838-1913) opende in 1864 zijn boekhandel. Bij de winkel bevonden zich ook een drukkerij en boekbinderij.
Kluitman werd een van de bekendste uitgevers van kinderboeken in Nederland met series als Dik Trom, De Kameleon en Pietje Bell.
De zoons van Pieter Kluitman namen de uitgeverij in 1904 over. De familie is nu uit beeld, BBNC Uitgevers nam de zaak over, maar ze zit nog wel in Alkmaar en groeide uit tot een grote, moderne uitgeverij van vooral jeugdboeken.

Margaretha Wijnanda Maclaine Pont (Hasselt, 1852-1928) woonde op no 93 in de Langestraat (tegen de Grote Kerk aan, het huis is bekend onder de naam Het Moriaanshoofd). Haar vader was burgemeester van Alkmaar. Margaretha schreef novellen en romans.

Cécile de Jong van Beek en Donk (Alkmaar, 1866-1944).

Deze jonkvrouw was aan het einde van de negentiende eeuw een van de bekendste feministische schrijfsters van Nederland. Beroemd met de emancipatieroman Hilda van Suylenburg waarvan tienduizend exemplaren verkocht werden. De roman werd ook hevig bekritiseerd. (Een halfzenuwzieke freule emancipeert tot vrouwvriendelijk advocate en combineert met succes een drukke baan en een gelukkig gezinsleven.)

Cécile de Jong van Beek en Donk organiseerde de Nationale Tentoonstelling voor Vrouwenarbeid en legde ook zo de wrijvingen bloot tussen feminisme en socialisme.
Ze bepleitte de invoering van het vrouwenkiesrecht nog vóór invoering van het algemeen kiesrecht.

Tjeerd Adema, (Middelburg 1885-1960) journalist en auteur van misdaadromans en jeugdboeken, woonde aan de Kennemerstraatweg 183.

Johan Fabricius (Bandung 1899-1981), die een straat naar hem vernoemd zag, schreef o.a. Toontje Poland (geboren in Alkmaar, 1796).

Op de Kennemerstraatweg (no 55, ver voor het beeld van Truitje) woonde Jo Dominicus, (Oisterwijk, 1912-1983) een auteur van maar liefst 35 reisboeken, en conrector van het Petrus Canisius College.
Overigens staat in Wikipedia dat hij in Deurne – waar onze Janine Jongsma woont – beter bekend is als frater Genesius, een van de vele fraters die in het fraterhuis aan de Visser ging wonen.

Carel Beke (Alkmaar, 1913-2007) schreef o.a. de Pim Pandoerserie, die tot de populairste jeugdboeken behoorde.

Ans Wortel (Alkmaar, 1929-1996) werd beeldend kunstenares, dichteres en schrijfster. Al haar werk is sterk autobiografisch. Veelvoorkomende thema’s zijn liefde, geborgenheid, moeder-kindrelaties en kritiek op de groepsnorm. Eind jaren zestig verschenen vijf dichtbundels waarin haar beeldende kunst en poëtische teksten samenkomen. Ook schreef ze romans. Sinds 1969 woonde ze in huis Kranenburgh in Bergen, het latere museum. In 1991 moest ze gedwongen verhuizen.

Gijs IJlander (Alkmaar, 1947) werd voor zijn debuut De kapper (1988) onderscheiden met de Anton Wachterprijs. Bekender werd De Aanstoot, waarin het verblijf van Picasso in deze contreien beschreven wordt. IJlander werd geboren in het St. Elisabethziekenhuis in Alkmaar.

Maarten Asscher (Alkmaar, 1957), ex-directeur van uitgeverij Meulenhoff en schrijver van o.a. de novelle Dingenliefde werd geboren op de Juliana van Stolberglaan no 16, een zijstraat van de Kennemerstraatweg.

Elisabeth Leijnse (Aalst, 1961) won in 2006 de Biografieprijs en de Libris Geschiedenisprijs voor Cécile en Elsa, strijdbare freules, geboren in 1866 en 1868 te Alkmaar.

Hans Koolwijk (Alkmaar *), journalist van de Alkmaarsche Courant ontving bij zijn intrede in de VUT in 2003 de zilveren penning van de stad Alkmaar uit waardering voor zijn grote verdiensten voor de geschiedschrijving van de stad. Koolwijk, van origine pianohersteller en -stemmer, werkte sinds 1976 bij de Noordhollandsdagblad-editie Alkmaarsche Courant. Hij schreef ook meer dan 40 boeken over de stad.
(*ondanks al zijn publicaties heeft hij zijn geboortedatum verborgen weten te houden)

Inge Nicole Bak (Den Helder, 1968) debuteerde in 1994 met poëzie maar werd eerst bekend na het winnen van de Victoriefondscultuurprijs in 2012 en dan alleen nog in deze stad. Bij uitgeverij IndeKnipscheer werden een aantal romans uitgegeven. De in 2019 uitgebrachte en zeer persoonlijke gedichtenbundel Maanbrief aan het getij werd vervolgens haar èchte poëziedebuut genoemd.
Als schrijver laat ze haar achternaam overigens achterwege.

Dick van Hoeve zit vanaf het begin (1984) bij de Alkmaarse Dichterskring en dicht al vanaf de jaren zestig. Ook andere leden (Annemarie Kuster, Nina Barhorst, Petra van Rijn) worden (nog) niet verder genoemd.

Jeremy Keighley (Derby) dicht en schrijft voornamelijk in het Engels en trad voor het eerst op in Atelier9en40. Hij woont sinds 2005 in Alkmaar.

Paul Hof (Beverwijk, 1955) trad zo nu en dan op in Atelier9en40 en bij Reuring. Zowel hij als Jeremy Keighley, Nina Barhorst, Annemarie Kuster zijn terug te vinden op opnamen van Alkmaar Anders (YouTube, Wouter van der Hoeven).

Bas Belleman (Alkmaar, 1978) is dichter en Shakespeare-vertaler, tevens oud literatuurrecensent van de Trouw en de Groene Amsterdammer.

Martijn Teerlinck (1987-2013), dichter, muzikant,  kwam als baby naar Alkmaar en ontwikkelde zich al jong tot een uitzonderlijk talent. Zijn voordrachten werden beroemd door de sacrale wijze, zijn hese stem, de grote woorden en thema’s. In 2010 werd hij Nederlands kampioen Slam Poetry. In 2013 maakte hij zijn debuut-cd The Child of Lov en won daarmee een belangrijke Britse popprijs. Met verbazing roemde men ‘die witte uit Alkmaar die zo zwart kon klinken’.
Zijn gedichtenbundel Ademgebed is postuum uitgegeven met daarin een voorwoord van Erik Jan Harmens.

Boekenantiquariaat De Alkenaer, Ritsevoort 36, is al meer dan 25 jaar gevestigd in Alkmaar en heeft een enorme keus. De eigenaar is niet van de poëzie (tenzij het rijmt) maar tussen de torenhoge stapels waar men zich gangetjes graaft, ligt vast ook een gedicht. De eigenaar gaat van drie verdiepingen naar alleen de onderste maar het lijkt erop dat het pand en de inhoud als cultureel erfgoed blijven.

 

 

En wie kwam er op bezoek en schreef vervolgens over Alkmaar?
(zoals geciteerd in Hier begint de victorie, Conserve, 2008)

Onder andere de jonge Italiaanse journalist Edmondo de Amicis (1846-1908) die Nederland in 1873 en 1874 bezocht. In 1876 verscheen zijn boek Olanda, later vertaald als Nederland en zijne bewoners. Hans Franse maakte er onlangs nog een column over.
Over Alkmaar schreef hij: “Gansche einden lang kan men over de straat gaan zonder iemand tegen te komen, en, wat vreemd is in een stad van meer dan tienduizend inwoners, de weinige menschen die men ontmoet of die aan de deur staan, niet alleen de mannen, maar ook de vrouwen en kinderen, groeten de vreemden beleefd.”
Over de vrouwen is hij niet erg vleiend. “Men ziet er vooral wangen met het schoonste rozenrood, dat de schuchterheid ooit over de kaken ener maagd gespreid heeft; maar de uitwerking van die bevalligheden wordt totaal vernietigd door die jammerlijke toetakeling van het hoofd en de nog jammerlijker manier van kleden. Bovendien hebben ze de heupen geweldig hoog, door de dikke onderrokken of wie weet wat, en het bovenlijf is het dikst bij de ceintuur en loopt spits toe tot aan de oksels, in tegenstelling van onze dames, die de borst groot en het middel dun maken. (…) Het is al heel mooi, wanneer de schoonsten, zoo gekapt, toegespitst en toegeknepen, nog op vrouwen gelijken; maar men kan zich voorstellen hoe het voorkomen is van de minder door de natuur bevoorrechten, die ook te Alkmaar het grootste gedeelte uitmaken.”

Marjorie Bowen, een van de pseudoniemen van Gabrielle Margaret Vere Campbell Long (1886-1952), schreef, “Alkmaar is één van de meest karakteristieke en aantrekkelijke Nederlandse steden; hoewel zoo dicht bij Amsterdam, schijnt het, in weerwil van enkele winkels met spiegelruiten en den bonten inhoud daarbinnen, tot een andere eeuw te behooren, bijna tot een andere wereld.”
Ze was opgetogen over de kwaliteit van de Alkmaarse feesten, zoals de kermis of Koninginnedag.

Trijntje Fop, een van de pseudoniemen van puntdichter Kees Stip (Veenendaal 1913-2001), werd geïnspireerd door Alkmaar tot het volgend gedicht:

Op twee mijten

Te Alkmaar zat een tweetal mijten
in een Edammer kaas te bijten.
‘Het treft mij,’ sprak de ene mijt,
‘hoe ongestoord men hier ontbijt,
want toen wij laatst in Frankrijk aten,
liepen wij telkens in de gaten.’

Alex Mol, pseudoniem van Wim Noordhoek, radiomaker, auteur en journalist (Steenwijk, 1943), schreef in de VPRO Gids van 19 september 1992: “In Alkmaar maakte ik een zondagswandeling. Een lang geleden uit de klei getrokken stad. Ik zag café de Lindeboom aan het Verdronkenoord, uitheemse hoeren aan de Achterdam. Mijn in Frankrijk gemaakte auto stond op de Dijk. De Kaasmarkt werkte niet. Het carillon speelde om 12 uur precies een riedel Valerius en gaf 12 slagen. Dat was goed. Orde moest er zijn, vooral in de tijd.“

Dichter, recensent en columnist (Meander) Hans Franse maakt bij een eerder bezoek het volgende gedicht:

ALCMARIA VICTRIX                                                     

Voor mijn nichtjes A. en B.

Alkmaar was het decor
waarin onze vaders hun jeugd speelden.
Ze kwamen op en af langs de singels,
genoten verkleed op 8 oktober als
de stad één ziel had: Alkmaars ontzet.
Het Gulden Vlies vervulde dromen,
de molen van Piet stond
waar hij nu voor eeuwig staat:
een zetstuk op de wallen van de bevrijde stad.

Onze vaders lieten toen foto’s maken
bij een fotograaf in de Langestraat nr. 82.
Statig stonden ze fier rechtop,
met stijve boord en horlogeketting,
leunend op een krukje dat toen
een etagère werd genoemd,
op afroep minzaam lachend
of neutraal kijkend naar het vogeltje
in de lens, waarachter
een steeds kleiner wordende wereld lag,
nog wel op zijn kop:
een wazige toekomst van een leven
dat niet verder leek te gaan
dan de Molen van Piet
op de wallen van de stad
die vrijdags naar kaas rook
en donderdags naar de tonnenman

Aan het eind van het feest
rook het Gulden vlies naar verschaald bier
en kaasdragers met kleurrijke hoeden
droegen na het oktoberfeest als apotheose,
voorzichtig lopend dat hij niet viel, op hun berries
de geïllumineerde molen van Piet,
en zetten hem
voor eeuwig op de wallen van de stad,
die draaide als een carrousel
in de wind van de tijd.

De molen van de familie Piet is voor elke Alkmaarder een begrip, hij staat stevig op de wallen verankerd. De zaal van het Gulden Vlies functioneerde als feestzaal voordat “de Vest” werd gebouwd. In sommige straten waren nog geen water gespoelde toiletten: eens in de week haalde de “tonnenman” de volle potten met excrementen op. Zij droegen ze op hun schouder die met een leren lap beschermd waren.

 

 

© Alja Spaan, september 2021 / aangevuld februari 2022