Maria Barnas,
Vreemdgaan
uit Er staat een stad op / opgenomen in de bloemlezing Je bent mijn liefste woord (Anne Vegter)
Ik denk het water dat groot en grijs begon.
Begin.
Het rolt als een herinnering die zich hervindt en anders.
Vang aan: we zwemmen anders
naar de lichte bomen. Ja! suist de wind en smijt
de vlieger tegen een wand van lucht.
Je draait mooi rondjes
kringelt
wappert tegen de wind en duikt zinwekkend laag
over het vorderende water. Wij stijgen op
tot je naast me komt staan.
De telefoon in je hand je vrouw.
Je schouders laten je zakken.
Ze rinkelt.
