de poëzie in onszelf

Het was een bijzondere en intieme Reuring met de volgende bijdragen:

De dingen.

Het spreekt voor zich.
Hoe distels over paarden praten.
Wat ongebleekte katoen de maan te zeggen heeft.
Het is me helder.

Echter.
Wat zou een potlood aan de zon willen zeggen.
Wat vraagt de ochtend aan de avond,
als de middag er niet telkens tussen zat.

Wat zou het onderbewuste,
het bewuste willen laten vergeten,
als het niet vergeten was, hoe vergeten ging.

Waar zouden schaamte en dauw
elkaar willen ontmoeten.
Waar ligt het breekpunt van een kindertraan.

Wat zou liefde lust willen vergeven
als alle vragen niet zouden worden verzwegen.
Waarover oreren het onbekende en onbegonnen werk
na hun tweede Tinder-date.

Wat vraagt het knoopsgat aan de container,
het priemgetal aan het breekijzer en
de volgesneeuwde fietstas aan de wereld.

Waarover wil het gevoel spreken
als -het vergetene- zichtbaar was.
En wat wil het gesprokene voelen
als het de woorden vinden kon.

Waarom ik het wil weten, ik weet het niet.
Of ik het wil weten, ik heb mijn vermoedens.

Hugo de Haas van Dorsser, Wordbites, De dingen,
uit: Aan alles komt een begin (De ander)

 

 

vierentachtig

Wat hem verbaast zijn niet de bleke gezichten, de tandloze monden, maar het feit dat de zee de golven heeft afgevlakt. Alsof iemand een liniaal erover heeft getrokken. Een aartsvader? Een boer, die met zijn plagmachine over zee heeft gereden, voortgetrokken door een paard met zwemvliezen.

Nee, geen fantasieën nu. Ik moet mijn hoofd erbij houden, anders zou ik overmoedig kunnen worden. En overmoedigheid is de lispelende tong van de duivel.

Zolang Hij een etmaal kan denken, denkt hij:
breng me boeken, waaruit zoveel woorden zijn geschrapt,

dat er van een verhaal geen sprake meer is.Onderling verdeelden we wie ter bewaking
& wie moet zorgen, dat zijn oren niet voortijdig zullen horen.

We stapelen, tot zijn gezicht een berg is:
Ik ken nu alle woorden van de wereld
en welke ervan we verzwijgen,
breng elk boek terug

naar haar rechteigenaar.
Als de maan aan Zijn voet komt,
begraaft Hij zijn ogen, zo merkt Hij niet
van welke letters Hijzelf zijn geboden

maakt, niet
van welke letters niet.

Daniël Bras, uit Europia, een feuilleton 

 

Verdriet

Ik ben de man die mij de man moet bouwen.
Iedere dag, ieder uur
scheur ik van pakken planken het plastic open
en neem voldoende mee voor de bouw
op winderige terreinen waar
oude kranten waaien om verlaten loodsen.
Met waterpas en zaagmachine begin ik aan de klus
bij het dreunen van hijskranen.
Ergens begint een schrootje te bibberen,
kan liggen aan de hel van mij,
niet aan de pop, die ik word, die ik ben.
Gaat het goed of gaat het goed.
Voor ik het hoedje op de kop –

Stort de hele bliksemse zorgvuldig en
moeizaam sinds 1213 opgetrokken gigant in elkaar.
Opwaaiend stof, puin, alles weg als
bij de aardbeving in Japan.
Het plan voor iedere dag in mijn handen,
de cijfers niet te lezen,
straks opnieuw deze zware klus.

Merik van der Torren, Verdriet, uit: Dag pauw oog

 

Ga, boekje, ga

Ga, Boekje, ga, ontgrendel nu de poort
En vier de teugels, vrees toch heg noch steg,
En twijfel niet of op zo’n harde weg
Een stofwolk je gezwinde tred verstoort.

Maak flinke vaart, ik heb ze al gehoord,
Mijn navolgers, jaloers in overleg
Met nog meer vuur te zeggen wat ik zeg,
Gedrevene, de eerste van mijn soort.

Maar nee, houd in, en blijf in het gelid,
Hoewel mijn hart goed bruisend bloed bezit,
Ik vast van knieën ben, vol adem thans.

Blijf, Boekje, maar van voordringen verschoond,
Ons niet vertoornend als de Lauwerkrans
Een ander voorhoofd dan het mijne kroont.

Jan Kal, vertaling no 30 van Va, livre, va, P. de Ronsard

Geef een reactie